Metropolis M: Meisjes van dertig

ARTICLE – JUNE 2000 [Dutch only]

Meisjes van dertig
Florence Manlik, Elles Jeurink, Maura Biava

door Nina Folkersma
gepubliceerd in Metropolis M, no 3, 2000

Op een goede dag weegt ze niet meer dan 58 kilo, rookt ze niet meer dan vijf sigaretten, drinkt niet meer dan drie alcoholische drankjes en checkt ze hooguit drie keer haar voicemail om te zien of haar vriendje heeft gebeld. Op slechte dagen – en die zijn ruim in de meerderheid – schieten de cijfers flink omhoog. Maar zelfs dan noteert de obsessieve Bridget Jones (dertig-plus) ze in haar dagboek. Het Dagboek van Bridget Jones, de hilarische en tegelijkertijd pijnlijk herkenbare roman van Helen Fielding, werd een internationale bestseller. De Londense dertiger blijkt exemplarisch voor een hedendaagse type: de altijd lijnende, hoogopgeleide ‘singleton’ (het zelfgekozen predikaat van Bridget), die haar bemoeizuchtige moeder hoort zeuren en haar biologische klok hoort tikken, maar die het maar niet lukt een geschikte man te vinden. Nog zo’n type is Ally McBeal (28 jaar), de hoofdpersoon uit de gelijknamige tv-serie: onwaarschijnlijk dun, immer gekleed in superkorte mantelpakjes, intelligent maar volstrekt neurotisch. Als succesvol advocate komt ze in de rechtzaal af en toe briljant uit de hoek, maar emotioneel is ze zo instabiel dat ze voortdurend letterlijk struikelt en omvalt.

Je ziet ze ineens overal, meisjes van dertig, worstelend met hun ambities, met kinderwensen, eetproblemen, zichzelf en de liefde. Ook in de hedendaagse kunst. De performances van Vanessa Beecroft, die hele verzamelingen van dit soort meisjes aanlegt en er ‘levende groepsportretten’ mee samenstelt, schieten als eerste in gedachte. Maar behalve in performances, of video’s, foto’s en installaties, is het opvallend hoe vaak je ze tegenwoordig ook in tekeningen tegenkomt. ‘Tekenen is heel onmiddellijk, het is hét medium waarop ik vertrouw’, verklaarde Beecroft ooit in een interview.1 Een wat vreemde uitspraak misschien voor iemand die vooral bekend is om haar performances, maar een die veel zegt over de specifieke kwaliteit die aan het tekenen wordt toegeschreven. Al is het niet het exclusieve medium waarin ze werken, de tekening blijkt voor veel vrouwelijke kunstenaars vaak de meest directe en meest oprechte manier om hun preoccupaties tot uitdrukking te brengen.

Neem bijvoorbeeld Florence Manlik. Deze jonge Franse kunstenaar (net drieëndertig geworden) komt uit de hoek van de zogenaamde ‘relationele’ projecten ze organiseerde live-presentaties, persoonlijke ontmoetingen en intieme etentjes – maar het is in haar tekenwerk dat haar behoefte aan contact het meest pregnant, ‘naakt’ tot uitdrukking komt. De tekeningen van Manlik bestaan voornamelijk uit portretten van zichzelf en haar meest intieme vrienden. Zonder uitzondering zijn het opvallend magere, skeletachtige figuren met androgyne trekjes. Een beetje als David Bowie in zijn Ziggy Stardust-periode. Schijnbaar gericht op hun uiterlijk, zijn het wezenlijk portretten van hun emotionele, psychische gemoedstoestanden. Manlik legt ze letterlijk en figuurlijk bloot. Soms ‘tot op het bot’, zoals in de muurtekening die ze in 1998 maakte in galerie Philippe Rizzo in Parijs. Met simpele potloodlijnen tekende ze het meer dan levensgrote portret van twee naakte figuren. Rechts Florence zelf, ten voeten uit, met ingevallen borstkas en knokige knieën, links haar vriend Gilles, al even mager. Tussen hen in gaapte de grote, lege galeriewand. Tijdens de openingsavond van de tentoonstelling was het publiek getuige van Florences dwangmatige pogingen om de precieze afstand tussen de twee figuren te meten. ‘Het gaat over het verlangen van een persoon die naast een ander staat met zijn eigen verlangens. Hoe kunnen we pretenderen van iemand te houden zonder te weten wat die ander echt wil?’ Het is een ‘mission impossible’, zegt ze, onze intieme relaties kunnen immers net zo goed gebaseerd zijn op één groot wederzijds misverstand. De verwantschap met het personage van Ally McBeal dringt zich op: niet alleen door hun beider anorexia-uiterlijk – en de heimelijke verheerlijking daarvan – maar vooral door hun onophoudelijke identiteitsvragen, zelfanalyses en hun getob met relaties.

Feministische kritiek
De serie Ally McBeal maakt in Amerika, en sinds kort ook in Nederland, verontruste discussies los. Met name in feministische kringen maakt men zich ernstig zorgen over het feit dat zo’n ongeëmancipeerd, labiel tiepje als Ally gepresenteerd wordt als verfrissend nieuw voorbeeld van de hedendaagse vrouw. Deze Miss McBeal is toch niet meer dan een hopeloos geval dat strompelt en struikelt over de feministische zaak in haar te korte rokjes? In plaats van ten strijde te trekken voor gelijke rechten en salarissen of goede kinderopvang, zo wordt betoogd, lijken jonge vrouwen zich uitsluitend zorgen te maken over hun uiterlijk en hun liefdes- en seksleven. Dat klinkt inderdaad zorgwekkend, maar verwonderlijk is deze verschuiving naar het puur persoonlijke (zonder dat het ‘politiek’ gemaakt wordt) niet. De oude feministische idealen lijken grotendeels gerealiseerd en het is juist op het privé-vlak dat de huidige generatie carrièrevrouwen geconfronteerd wordt met prangende kwesties en moeilijke dilemma’s. Stel: je bent een alleenstaande jonge vrouw, je maakt je eigen keuzes en verwezenlijkt je eigen ambities, maar in je dromen keren steeds die andere, ‘ouderwetse’ wensen terug: man, kindjes, familieleven.

Elles Jeurink (nog geen dertig) tekent deze wensdromen. Met pen en kleurpotlood verbeeldt ze scènes uit haar dromen en fantasieën en bundelt deze in kleine boekjes, waarin het verhalende van de tekeningen kracht wordt bijgezet door korte tekstjes. Ze verraden diep erotische driften, die eigen zijn aan dromen. Maar ook een sterk gevoel voor humor. Elles droomt van een stier die verliefd wordt op meisjes die hun blote kont aan hem laten zien. Ze besluit dit te testen en ja hoor, in de volgende tekening zien we de stier – met een enorme erectie – om haar nek hangen. Elles staat er wat bedremmeld bij. Charmant in haar onhandigheid, ontroerend in haar emotionele wanhoop. Jeurinks tekenstijl is kinderlijk naïef, alsof de klungeligheid ervan moet weerspiegelen dat het leven nog niet helemaal onder controle is. Slechts een enkele keer komt ze ineens verrassend zeker en recht voor z’n raap uit de hoek: ‘NEUK ME AUB’ staat er in hoofdletters geschreven boven een meisje dat met haar benen gespreid op bed ligt. Zie hier de girlpower-versie van Lily van der Stokkers lieve, bescheiden ‘kusje’.

Trouwring doorslikken
De meisjes van Maura Biava (bijna dertig) lijken het allemaal wel onder controle te hebben. In vastberaden, heldere lijnen wordt hun persoonlijkheid bij elkaar gehouden. Het identiteitsvraagstuk is bij hen vervangen door de lifestyle; wie ben ik vandaag en hoe geef ik vorm aan mezelf. In de tekeningenserie Delfina bijvoorbeeld zien we een meisje – een mix tussen een Japanse Manga-girl en de gestileerde meisjesfiguren uit de Tina – in steeds wisselende outfits op verschillende momenten van de dag. ’s Ochtends om tien uur is ze gekleed als schoonmaakster, ’s middags verschijnt ze als elegante zakenvrouw met roodgestifte lippen en ’s nachts om drie uur heeft ze zich verkleed als gemaskerde dievegge. De opeenvolgende poses geven steeds een ander levensjaar aan. Op haar vijftiende blijkt Delfina, getuige de ring om haar vinger, al verloofd te zijn, maar gelukkig in de liefde is ze niet. Enkele jaren (tekeningen) later zien we hoe ze probeert haar trouwring door te slikken. In de serie tekeningen richt Maura Biava zich op de veranderlijkheid en pluriformiteit van onze identiteit. De diverse gedaantes en houdingen weerspiegelen haar verlangen om verschillende rollen in verschillende verhalen aan te nemen. Ze deed dat ook in werkelijkheid. Zo is ze model geweest in de performances van Vanessa Beecroft (een studiegenote van haar op de kunstacademie in Milaan) en trad ze ooit op als cheerleader tijdens de Miss Italia-uitzending op televisie. Het gaat Biava niet zozeer om het spelen van een rol, maar om de mogelijkheid verschillende personages te kunnen zijn in haar eigen leven. Een van haar fictieve gedaantes is Iride, de biologiestudente die in de zomer van ’98 tekeningen en dagboekachtige notities via e-mail verzond aan mogelijke gesprekspartners. Maar hoe anders zijn haar overpeinzingen dan die van Bridget Jones! De intelligente Iride koppelt psychologisch zelfonderzoek aan een wetenschappelijke studie naar verschillende plantensoorten en celculturen. En al voelt ze zich soms eenzaam en droomt ze ook van een sterke man die haar zal troosten, toch is haar toon steeds ‘absolutely optimistic’ en vol levenslust. Af en toe is ze echter behoorlijk irritant – vooral wanneer ze koketteert met Aristoteles, Sophocles en Nietzsche en weer eens blaakt van zelfvertrouwen, om niet te zeggen zelfingenomenheid (‘it’s always been natural for me to think that I am magnificent’). Dan is de desperate Bridget toch leuker met haar zelfhulpboeken als Vrouwen die te veel liefhebben en Je kunt je leven helen.

Het beeld van een generatie van onzekere, overgevoelige jonge vrouwen dat naar voren komt uit bovenstaande beschrijvingen is natuurlijk een overdreven, uitvergrote versie van de realiteit. Maar daarmee niet minder waar. De dertigers van nu hebben, als dochters van feministische moeders, weliswaar geleerd hoge eisen te stellen aan zichzelf, hun carrière en de liefde, maar ze bezitten niet die vanzelfsprekende zelfverzekerheid en girlpower van de echte meisjes van nu. Ze weigeren zich tevreden te stellen met het voor de hand liggende, maar weten vaak nog niet wat het dan precies is dat ze wél willen. Dat voor vrouwelijke kunstenaars van rond de dertig juist het tekenen een favoriet medium lijkt te zijn, is zo bezien heel logisch: het zoekende, aftastende, en tegelijkertijd ‘onmiddellijke’ ervan past uitstekend bij de existentiële vragen die deze generatie zichzelf stelt. Bij Florence Manlik uit zich dat in kwetsbare, psychologische portretten, bij de kameleontische Maura Biava in een onderzoek naar vrouwelijke rolmodellen, en bij de getekende meisjes van Elles Jeurink zien we de ‘verwarring’ misschien wel het meest onverbloemd terug: enerzijds zijn ze krachtig en vol humor, anderzijds nog vreselijk onhandig en onvolwassen. Hoe verschillend ook, hun intenties zijn steeds uiterst serieus en oprecht. Daarmee onderscheiden ze zich ook van een eerdere generatie ‘meisjestekenenaars’. Anders dan bijvoorbeeld Karen Kilimnik of Lily van der Stokker, die met hun schattige, meisjesachtige werken een statement maakten tegen het idee van de hoge, echte Kunst, is er bij Manlik, Biava en Jeurink geen sprake van provocatie of ironie. Ze gebruiken hun dagelijkse ervaringen en persoonlijke zielenroerselen niet als basis voor een kritiek op de kunstwereld, maar om, eerlijk en openhartig, een beeld van zichzelf te schetsen. En wat is er mooier dan de troost van de herkenning…

Noten

1. Giacinto di Pietrantonio, Vanessa Beecroft, Flash Art, nummer 183, zomer 1995.